(On)afhankelijkheid bij kwaliteitsborging

In het wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het bouwen is aangegeven wat de eisen voor onafhankelijkheid van de kwaliteitsborger zijn. Kernpunt is dat er geen financieel belang bij de uitkomst van de werkzaamheden mag zijn.

In de huidige situatie, bij controle door de gemeente, is de scheiding helder. De gemeente heeft geen belang bij wie wat verdient met de werkzaamheden. In de commerciële setting is dit anders.

Het feit dat commerciële partijen op de een of andere manier van elkaar afhankelijk zijn voor het behalen van een resultaat, een opdracht, inkomsten, maakt dat er per definitie geen onpartijdigheid en onafhankelijkheid is.

De druk om inkomsten te genereren kan invloed hebben op de vereiste controlewerkzaamheden en de beoordeling hiervan. Het gaat er dan ook om waar de grenzen worden getrokken in de mate van afhankelijkheid. Voor nu gaat de focus op gevolgklasse 1.

Aanname
Er wordt aangenomen dat de mogelijkheid van aansprakelijkheid er toe zal leiden dat de commerciële kwaliteitsborger slechts minimale risico’s zal nemen bij de controle of een werk voldoet. In zijn beoordeling zal hij waarschijnlijk dan ook wegen wat het financiële voordeel is bij het goedkeuren van aspecten die eigenlijk (nog) niet akkoord zijn, of misschien wel helemaal niet, in relatie tot mogelijke aansprakelijkheid. Instrumentbeheerders dienen te waken over zaken die niet in de haak zijn. Dit kan in de praktijk uiteraard slechts met steekproeven. Als er straks een toelatingsorganisatie is zal dit orgaan met reality checks controleren of zoiets zich voordoet en waar nodig corrigerend optreden. Dit moet een preventieve werking hebben. Hoe precies is nog onduidelijk. Misschien werkt het heel goed.

Rolvermenging
De scheidslijn in functies is niet helder getrokken. Het kan voorkomen dat een kwaliteitsborger op verschillende momenten in verschillende rollen bij een project betrokken is. Dit kan zich met name bij werken binnen gevolgklasse 1 voordoen wanneer de partij belast met de engineering of realisatie ook een taak als kwaliteitsborger heeft. In de hogere gevolgklassen is de functiescheiding waarschijnlijk beter geregeld.

In gevolgklasse 1 is het dan ook mogelijk dat de slager zijn eigen vlees keurt. Hiervoor zal het principe ‘high trust, high penalty’ worden gehanteerd. Dus ja, de slager mag zijn eigen vlees keuren maar hij mag zich er niet makkelijk vanaf maken. De reden dat dit (vooralsnog) wordt ‘toegestaan’ is gebaseerd op het feit dat hiermee de mogelijkheid wordt geboden om kwaliteitsborging vanuit kosten gezien zo efficiënt mogelijk uit te voeren. Daarnaast telt natuurlijk mee dat het risico voor deze klasse laag is.

Het is mijn verwachting dat architecten en overige adviseurs de rol van kwaliteitsborger ‘meenemen’ in hun opdracht binnen gevolgklasse 1. Misschien doen ze het zelf, misschien schakelen ze iemand in. Voor de kleinere aannemers actief binnen deze klasse is private kwaliteitsborging minder voor de hand liggend. Dit baseer ik op de huidige ervaringen om die partijen hiervoor te interesseren. Dat met de interesse gaat heel moeizaam ‘omdat ze er niet van zijn’. Een andere reden is dat het nog niet als waardevol wordt gezien voor het uiteindelijke resultaat of onderscheidend vermogen. Diverse grotere aannemers zijn hier al wel concreet mee bezig.

Over rolvermenging wordt verschillend gedacht. Er zijn partijen die stellen dat rolvermenging een positief effect zal hebben gebaseerd op de aanname dat iedereen met een integrale rol nog meer op zijn tellen gaat passen. Ben je tevens verantwoordelijk voor de uitvoering dan heb je een waarschuwingsplicht plus contractuele aansprakelijkheid voor het toezicht en het voldoen aan de bouwvoorschriften. Dit staat in contrast met wat wij vanuit de bouwpraktijk zien. Steeds vaker schrijven opdrachtgevers bij geïntegreerde contracten ‘onafhankelijke’ controle voor. De meest voorkomende vorm is dat de aannemer gebaseerd op vooraf bepaalde toets- en controleplannen een bureau gespecialiseerd in kwaliteitsborging moeten inschakelen. Het deel ‘onafhankelijk’ is hierbij dat de aannemer het niet zelf mag doen maar de specialist erbij moet halen.

Rolvermenging is prominent aanwezig bij garantieregelingen. De garantieregeling huidige stijl heeft reeds een passage in de bepalingen dat de aannemer gehouden is het werk te realiseren overeenkomstig de bouwregelgeving. Op zich volledig overbodig want iedereen moet zich natuurlijk al aan de wet houden. De garantieregeling nieuwe stijl doet er nog een schepje bovenop: wettelijke kwaliteitsborging wordt gelijk meegenomen. Dit is rolvermenging in het kwadraat. Het voldoen aan bouwvoorschriften en het voldoen aan contract zijn één geworden. Van de alles-dekkende-garanties, oh ja het is ook nog eens verzekerd, moet een bouwconsument toch blij worden? Ik vraag het me af. Een commercieel belang vermengen met het voldoen aan de bouwvoorschriften wringt.

Ik loop u even door de werkwijze van een garantieregeling zoals ik het zie. De aannemer is de klant van de waarborginstelling. De waarborginstelling zorgt voor de kwaliteitsborging. De waarborginstelling biedt een verzekerd product. De waarborginstelling zal toetsen op aspecten waar het risico van de verzekering ligt. Dit is wezenlijk anders dan toetsen op de bouwvoorschriften. Niet voldoen aan de bouwvoorschriften levert in beginsel geen verzekeringszaken op dus daar wordt niet, of nauwelijks, op getoetst. Er is sprake van een afhankelijke relatie: de waarborginstelling moet klanten tevreden houden en zal niet zo snel plannen afkeuren op de bouwvoorschriften. De waarborginstelling heeft een commercieel belang: dit is zo min mogelijk verzekeringszaken krijgen want die kosten geld. Dit heeft zijn weerslag op de focus en invulling van werkzaamheden. Op zich is er niets mis met dit alles ALS de waarborginstelling volledig transparant zou zijn over de werkwijze. Of dit ook gaat gebeuren is de vraag want … waar maak je je druk over … het is toch verzekerd?

Moutarde après le dîner?
Het wetsvoorstel is af, wordt binnenkort behandeld and that’s it. Daar gaan we het dan mee doen zou je zeggen. Ja, misschien wel.

Laten we niet vergeten dat alles wat tot nu toe is bedacht een papieren kwestie is. Er is zeer beperkte ervaring opgedaan, we hebben een zeer gering aantal pilotprojecten vanuit een onnatuurlijke setting om gefundeerd iets te kunnen vinden over het deel praktijk. Wat we al wel weten is dat er straks substantiële verschillen tussen instrumenten gaan ontstaan met ongelijkheid in toetsing en resultaten. Dit is een consequentie van het feit dat de kwaliteit op het doe-niveau niet wordt gedefinieerd maar enkel de werking van systemen (instrumenten) en in zeer algemene bewoordingen de mensen die hier mee aan de slag moeten. In dit rijtje kunnen de consequenties gerelateerd aan de mate van afhankelijkheid worden toegevoegd.

Net als met aansprakelijkheid is het goed bewustwording te creëren voor het aspect (on)afhankelijkheid. Het wetsvoorstel biedt de nodige ruimte aan instrumenten en kwaliteitsborgers dus is het goed dat we meer nadenken, station voordenken zijn we gepasseerd, over wat dit betekent.