Lesstof uit 2007

Ik neem u mee terug in de tijd, het jaar 2007 om precies te zijn. In dit jaar is er vanuit VROM een inspanning geleverd om de constructieve veiligheid te verbeteren. We zijn nu bijna 10 jaar verder en dan zou je denken dat we met de bouw ook echt stappen hebben gemaakt. U mag hier zelf over oordelen.

Dit ‘oude’ onderzoek op hoofdlijnen nog een keer voorbij laten komen acht ik relevant omdat het over kwaliteit en kwaliteitsborging gaat, over rollen, hoe het is geregeld, wat we er aan kunnen doen om het beter te maken. Het is voor een deel het signaleren van knelpunten, anderzijds het werken aan aspecten om meer grip op kwaliteit te krijgen.

Ik acht het delen van deze informatie en ‘lesstof’ relevant voor de inzet nu op het best haalbare met kwaliteitsborging.

Om het compact en leesbaar te houden heb ik ‘slechts’ drie stukken uit 2007 voor u:

  • een schema, dit kan volgens mij net zo goed vandaag zijn opgesteld
  • een intern memo, the unedited version, waarmee ik, na de sessie, leidinggevenden heb geïnformeerd
  • een opsomming van knelpunten vanuit onze praktijk (toen).

Schema


Memo 13-11-2007

Heren,

Ik heb gisteren op uitnodiging van VROM deelgenomen aan een ‘expertmeeting’ ketenonderzoek constructieve veiligheid. Dit was de laatste van 3 bijeenkomsten. Diverse sleutelfiguren van diverse organisaties hebben hier aan deelgenomen. De insteek van de bijeenkomsten: het formuleren van ideeën om constructieve veiligheid te verbeteren.

Dit ging via een zogenaamde Group Decision Room sessie. Vanachter de computer moesten wij gelijktijdig meningen en ideeën uitwisselen over bepaalde vraagstukken. Het was dus weinig praten maar meer denken en typen. Die ideeën werden vervolgens op een groot scherm ‘behandeld’. Dit was waarderen en de ’top’ ideeën vertalen naar de praktijk om met haalbare / kansrijke en vooral concrete verbeterpunten te komen. Er komt nog een verslag van de sessie dus voor nu is het even niet interessant het hele relaas te doen.

Toch even een paar dingen …
Van grof naar fijn ging de discussie uiteindelijk over interne controle en samenhang.

Om samenhang te kunnen waarborgen is het idee dat hier iemand voor verantwoordelijk moet zijn. Een hoofdconstructeur / coördinerend constructeur, en zo heeft deze ‘figuur’ nog een paar soortgelijke namen. Er werden 5 namen bedacht voor eigenlijk dezelfde soort invulling: het is iemand die het overzicht heeft en houdt tijdens het totale traject. Interessant is dat een controleplan, onder die naam maar ook anders omschreven, op 6 kwam. Dit was van een totaal van 21 punten. Van 1 t/m 5 had je het eigenlijk over een regie-constructiedeskundig-functionaris. Van de punten 7 en verder waren er ook wel een aantal die op elkaar leken maar toch.

Om interne controle te kunnen waarborgen werd er gedacht over (in volgorde):
1. per fase een ‘einde-fase’ document opstellen (door de constructeur)
2. interne controle
3. aantoonbare toetsing
4. uitgangspunten overleg per fase
5. controleplan
Dit was van een totaal van 25 punten.

2, 3, 4 en 5 zitten meer of minder in onze systematiek.

De conclusie hiervan is dat de ‘experts’ grote waarde hechten aan het verbeteren van de eigen controle, het toetsbaar maken, vastleggen en het volgens een structuur (standaard) uitvoeren van controlewerkzaamheden.

Het ging uiteraard ook over dingen zoals toezicht, opleidingen, geld, tijd enz. Wat moet via zelfregulering en wat moet dwingend (wet) worden opgelegd. Het aardige is natuurlijk dat men een controlesystematiek kansrijk acht. De rest is ook belangrijk maar het borgen van kwaliteit via een standaard wordt als een vereiste gezien.

Het ging niet direct over onze systematiek, het ging meer over de manier van werken.

Wat er in de andere sessies is besproken weet ik niet. De gespreksleider gaf aan dat de 1e sessie minder goed verliep (men moest erg wennen). Nummer 2 ging wel goed maar men bleef lang op verantwoordelijkheid hangen en er was minder tijd voor (andere) ‘praktische’ oplossingen. Sessie 3 (waar ik aan heb deelgenomen) ging snel richting concrete dingen plus er zijn relatief veel ideeën geformuleerd. Hoe die sessies gaan is natuurlijk sterk afhankelijk van de samenstelling van de groep. Hoe dan ook … nuttige informatie …

Naast mij zat iemand van NEN. Hier heb ik uitvoerig mee gesproken. Ik heb ook nog 2 mannen van VROM (de projectleiders van dit gebeuren) op de gang in de pauze gesproken en gevraagd of ze er aan hebben gedacht om de vragen / ideeën aan een breder publiek voor te leggen. Dat vonden ze een goed idee en gaan ze ook doen (ik stond er van te kijken / ja die VROM … zo zie je maar). Ze gaan dit op korte termijn aan een grotere groep ‘experts’ voorleggen (online enquête). Het op internet aan zeg maar ‘iedereen’ voorleggen vonden ze minder handig omdat de kwaliteit van een dergelijke enquête veel minder is. “Het is wel leuk maar je krijgt waarschijnlijk extremen.” Dit gaan ze niet doen. Hier hebben ze natuurlijk gelijk in. Hier heb ik het eerder met Jos over gehad.

Vandaag doen we het nog een keer dunnetjes over met een sessie bij Bouwend Nederland. Dit is een debat met (ex-)ministers en beleidsmakers. Ik verwacht dat dit veel minder concreet is. Als hier nog wat zinnigs uitkomt laat ik het weten.

Stof om over na te denken en wat mee te doen!

Bij de inleiding is een aardig schema gebruikt … heb ik maar even bijgevoegd.

Tot zover …

Groet,

Pieter


Knelpunten / ervaringen vanuit de bouwbegeleiding

  • De hoofdconstructeur (=adviseur in de ontwerpfase) een opdracht moet hebben in de uitvoeringsfase, waarbij geregeld wordt dat de hoofdconstructeur (1) controle uitvoert over verstrekte gegevens (berekeningen/tekeningen) van de aannemer, (2) de correspondentie verzorgt met bouw- en woningtoezicht, (3) waar nodig controles op de bouw uitvoert, (4) om advies gevraagd kan worden. Soms zien we dat de hoofdconstructeur door de aannemer wordt gecontracteerd hetgeen ook prima is.
  • Fouten ontstaan doordat wijzigingen worden doorgevoerd zonder dat de impact op het geheel goed bekeken is.
  • Fouten ook ontstaan die toe te wijzen zijn aan onvoldoende coördinatie en communicatie. Dit sluit aan op hetgeen op bladzijde 11 rechterkolom en bladzijde 13 linkerkolom wordt aangehaald. Het gebruik van een controle-instrument als hulpmiddel om het uitvoeringsproces beheersbaar te maken, kan een belangrijke bijdrage leveren aan het tijdig onderkennen van knelpunten en beheersbaar maken van risico’s: voordenken in plaats van nadenken.
  • Aannemers oefenen zelf te weinig controle uit op hun eigen productie. De uitvoerder wordt afgerekend op tijd en geld en niet op kwaliteit; voor de kwaliteit spant hij de opzichter voor zijn karretje! Opzichters dienen aannemers er meer op aan te spreken dat die zelf ook controles uitvoeren en hierover rapporteren.
  • Er wordt een onverantwoorde tijdsdruk op projecten gelegd. Alles moet snel, aannemers worden ‘gedwongen’ om hierin mee te gaan. Tussen gunning en startbouw dient voldoende voorbereidingstijd aan de aannemer gegeven te worden.
  • Tijd (=geld) voor onafhankelijk toezicht is er steeds minder.
  • Er in de ontwerpfase te weinig tijd gaat zitten in het goed afstemmen en controleren van bestekstukken. In de bouwvoorbereidingsfase loopt ook de tijdsdruk aan het einde op waardoor er onvoldoende tijd voor controle is. Vaak is ook het geld op bij de ontwerpende partijen, waardoor te weinig uitgetekend wordt en de problemen zich dus later openbaren.

We staan kort voor het moment een grote stap vooruit te maken.  Er is geleerd dat het anders kan en moet.