Brief aan Kamercommissie

Twee zaken zijn op dit moment cruciaal om de puntjes op de “i” te zetten. Dit betreft helderheid over de onafhankelijkheid van kwaliteitsborgers en de inzet op een standaard voor kwaliteitsborging.

Onderstaand is een en ander nogmaals gemotiveerd.

Tevens zijn een aantal overige klemmende punten zo compact mogelijk beschreven.

Onafhankelijkheid

De hoogst mogelijke vorm van onafhankelijkheid is een vereiste voor het vertrouwen dat bouwwerken aan de voorschriften voldoen. Dit moet als vanzelfsprekend de inzet zijn. Iedere andere vorm, waarbij die onafhankelijk niet optimaal is, doet afbreuk aan het vertrouwen dat bouwwerken voldoen. Uit de bouwpraktijk is bekend dat een vorm van verwevenheid tot ongewenste situaties leidt. Hoe en in welke vorm kan nader worden gemotiveerd met actuele informatie uit de bouwpraktijk. Die verwevenheid is er bij waarborginstellingen in relatie tot de aangesloten bouwers. De wettelijke controle op het voldoen aan de voorschriften behoort hiermee niet bij de waarborginstellingen. Een nadere uitleg van mijn hand is te raadplegen via deze link.

Standaard voor kwaliteitsborging

Met een standaard voor kwaliteitsborging voorkomen we discussies over wat kwaliteit is, hoe we het meten en waar aan moet worden voldaan. Er wordt dezelfde taal gesproken. De verwachtingen van partijen worden dan ook helder. Is er een standaard dan biedt dit bouwconsumenten, bouwers en kwaliteitsborgers het vereiste houvast. Het werken volgens de standaard kan in toepasselijke regelingen en contracten worden opgenomen. Het biedt voordelen bij opleidingen. Het biedt voordelen bij zaken die voor de rechter of arbiters worden gebracht. Het biedt voordelen in het verbinden.

Kwaliteit realiseren en borgen moet voor de hele bouwketen gelden. Daar kan een standaard aan bijdragen. Het staat de ontwikkeling van individuele instrumenten voor kwaliteitsborging niet in de weg. Ook kan de ontwikkeling van een standaard parallel aan invoering wet worden opgepakt. Op diverse deelgebieden is er al het nodige ontwikkeld wat binnen een standaard kan worden gebracht. De stap is dan ook relatief eenvoudig. De standaard kan uiteraard voortschrijdend worden verbeterd.

Zonder een duwtje van de overheid zal het nog jaren duren voor er een standaard voor kwaliteitsborging gaat ontstaan.

Gebreken na oplevering

Met het wetsvoorstel gaat de aandacht naar het voldoen van bouwwerken bij oplevering en een deel achtervang, mocht er onverhoopt toch nog een gebrek aan het licht komen dan moet het makkelijker worden om een fout die de bouwer kan worden aangerekend ook door de bouwer te laten verhelpen. Bij gebreken na oplevering waaruit blijkt dat niet aan voorschriften is voldaan is sprake van een overtreding van de wet. Indien dit verder geen consequenties heeft accepteert de overheid dat de wet wordt overtreden en wordt het alsnog voldoen aan de wet bij de bouwconsument gelegd. De bouwconsument moet dit maar met de bouwer oplossen. Is een overtreding feitelijk vastgesteld dan is het zaak dat de overheid daar consequenties aan verbindt. Er moet de garantie zijn dat de situatie wordt hersteld op een wijze dat wel aan de wet wordt voldaan. Ook is het zaak dat de overheid helder is: overtredingen van de wet laten wij niet passeren, eenmaal feitelijk vastgesteld gaan wij handhaven en wordt een bestuurlijke boete opgelegd. Enkel de gemeente kan handhaven. Herstel van gebreken valt, in de huidige opzet van de wet, buiten private kwaliteitsborging. Hiermee moet de controle op herstel en het voldoen, bij gemeenten worden gebracht. In dergelijke situaties is het opleggen van een bestuurlijke boete gepast. Hiermee is duidelijk dat het voldoen aan de wet niet plooibaar is. Er wordt immers, nadat is verklaard dat een bouwwerk aan de voorschriften voldoet, een toerekenbare fout geconstateerd. Het beboeten heeft een preventieve werking.

De beoogde wet laat de verantwoordelijkheid van bouwers ongemoeid. De wet regelt enkel de overgang van gemeentelijke controle naar private partijen. De aanpassing van het Burgerlijk Wetboek, waarbij de bouwer aansprakelijk blijft voor gebreken die hem kunnen worden aangerekend, is niet gerelateerd aan een verplichting. Hij kan er (nog steeds) voor kiezen niets aan kwaliteitsborging te doen. Bovenstaande aanscherping zal bijdragen aan het stimuleren van bouwers kwaliteitsborging serieus te organiseren.

De geschetste werkwijze kan voor een deel (het deel controle) ook onder het nieuwe stelsel worden gebracht. Een onafhankelijke kwaliteitsborger controleert hierbij op kosten van de bouwer (is wel zo logisch) dat herstel is uitgevoerd en voldoet. In de meest ideale situatie worden gebreken centraal gemeld en behandeld. Dit levert relevante informatie op over de hoeveelheid gebreken, aard van de gebreken, bij welke partijen enz. Deze informatie is uitermate relevant voor sturing en verbetering.

Op 1 januari 2015 is de wet Wijziging van de Woningwet in verband met het versterken van het handhavingsinstrumentarium in werking getreden. Onze minister heeft voor invoering van deze wet aangegeven dat binnen 5 jaar gerapporteerd wordt over de werking. Het zou dienstbaar zijn de minister te verzoeken om op korte termijn een tussentijdse rapportage te verstrekken. Deze informatie is van belang in het wegen van middelen voor handhaving en het effect hiervan. Zonder deze informatie tasten we wat dat betreft in het duister.

Ik acht met name de vereiste helderheid van groot belang: dat werken moeten voldoen is een serieuze aangelegenheid, overtredingen hebben consequenties, herstel en controle op het voldoen is hierbij onderdeel van het nieuwe stelsel.

Ik realiseer me dat het een detailpunt is en de wet over de hoofdlijnen gaat.

Pilots – voorbereiding

Al vaker is de noodzaak voor het uitvoeren van pilotprojecten gemotiveerd. Er worden nu betrekkelijk weinig pilots uitgevoerd. De periode voor feitelijke invoering van het nieuwe stelsel moet optimaal worden benut om te leren en systemen te optimaliseren. Daar dragen pilots aan bij. De meest ideale vorm is in een coproductie tussen gemeenten en private kwaliteitsborgers gebaseerd op transparantie, aantoonbaar voldoen en leren. Zowel gemeenten als private partijen zijn hierbij transparant in hoe zij hun werk verrichten. Dat laten partijen aan elkaar zien: wat er wordt gedaan en hoe, wat er goed gaat, wat minder, waar het beter kan. Het is van belang die informatie te delen om er ook van te kunnen leren. Om dit ook voldoende op gang te brengen is sturing vereist. Dit kan met een duidelijke opdracht aan gemeenten om pilots uit te gaan voeren voor gevolgklasse 1 en de vereiste support te leveren. Zonder pilots binnen al onze gemeenten is de voorbereiding discutabel.

Heeft u vragen, bedenkingen of als ik u kan helpen hoor ik het graag.

Met vriendelijke groet,

Pieter Plass