Database voor inspecties gebouwen

Bouwend Nederland, FME en UNETO-VNI pleiten voor een centrale database voor wettelijk verplichte inspecties van gebouwen.

Deze partijen hebben aangegeven dat naleving en handhaving van onder meer veiligheid tekortschiet. Er is becijferd dat een dergelijke database een besparing van bijna 290 miljoen euro op gaat leveren doordat de versnippering verdwijnt.

Met name op het gebied van de installaties zijn er voor bestaande bouwwerken de nodige periodieke controles om aan te tonen dat het allemaal nog keurig voldoet.

Het idee om hier meer lijn in te brengen is nog niet zo verkeerd. Of alles in een centrale database moet, valt te bezien. Waar het natuurlijk om gaat is dat de verplichte inspecties worden uitgevoerd en informatie wordt ontsloten voor wie er wat mee moet.

Informatie over het voldoen van bouwwerken is een vraagstuk op zich. Met nieuwe wetgeving op het gebied van kwaliteitsborging in de maak zal dossiervorming en communicatie exponentieel toenemen. Dit is een informatie tsunami in wording. Het is niet een kwestie van even een database hiervoor regelen. Er zijn al veel systemen die met en op elkaar werken, oude tools, nieuwe tools, noem het maar op. Je daar in roeren heeft consequenties. De verdere ontwikkeling vraagt om flexibiliteit waarbij veel informatie uit verschillende bronnen voor relevant gebruik ontsloten moet worden. Je moet ook voorkomen dat dezelfde informatie op verschillende plekken wordt bijgehouden.

Het zou goed zijn als het voldoen van bouwwerken meer integraal wordt bekeken. Dat een bouwwerk bij oplevering voldoet is immers slechts een momentopname. Dan volgt het gebruik. Ook dan moet het voldoen van bouwwerken binnen een bepaalde structuur worden gebracht. Dit geldt in ieder geval voor bouwwerken die na oplevering in systemen van periodieke controle moeten blijven. Het zou dan ook mooi zijn als informatie over het bouwwerk “meegaat” en wordt ontsloten voor de gebruiker en de instanties die moeten waken over het voldoen op termijn.

In lijn met “Privaat wat kan, publiek wat moet …” is het wellicht dienstbaar als de oplossing voor dit “probleem” niet automatisch bij de overheid wordt gezocht.