Problemen met het Overdrachtsdossier

Op 14 maart jl. geeft het ministerie van BZK in een memo aan hoe het amendement Overdrachtsdossier ten behoeve van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen moet worden geïnterpreteerd. Deze interpretatie is van belang voor eventuele verdere uitwerking in de lagere wetgeving.

Het amendement regelt de verplichting van de aannemer om bij oplevering een dossier aan de opdrachtgever aan te leveren met betrekking tot het tot stand gebrachte bouwwerk. Hiermee moet de aannemer aantoonbaar maken dat hij enerzijds aan de wettelijke eisen heeft voldaan en anderzijds de aannemingsovereenkomst.

In het amendement is aangegeven wat de gemeente met het dossier moet doen:

“Indien het bevoegd gezag tot de conclusie komt dat de aannemer in dat dossier (nog) niet (volledig) aannemelijk heeft gemaakt dat aan de wettelijke eisen is voldaan, dan kan de opdrachtgever, bij een verbod op ingebruikname of het aankondigen van een last onder dwangsom, als niet binnen bepaalde termijn bepaalde voorzieningen zijn getroffen, de aannemer aanspreken omdat deze verantwoordelijk is voor het overdrachtsdossier en de naleving van het contract.”

Het ’tot de conclusie komen’ kan uiteraard alleen als de gemeente er ook inhoudelijk naar gaat kijken, het dossier beoordeelt.

In het memo van BZK lezen we hoe we een en ander moeten duiden:

“Het amendement beoogt een wettelijke basis te geven aan een consumentendossier, waarmee de bouwconsument van relevante informatie wordt voorzien over zijn woning en voorts regels te stellen aan de gereedmelding bij het bevoegd gezag.

Reactie minister: “Ik hecht eraan om, net als bij het vorige amendement, op te merken dat het bevoegd gezag het dossier dient te gebruiken in het kader van de handhavende taak en niet om het werk van de kwaliteitsborgers nog eens over te doen of om te controleren of de aannemer aan zijn afspraken met de opdrachtgever heeft voldaan.”

Toelichting: dat betekent dat het niet de bedoeling is dat de gemeente een inhoudelijk oordeel heeft over het werk van de kwaliteitsborger en dat het evenmin de bedoeling is dat de gemeente hiermee zelf nog een keer oordeelt of een bouwwerk voldoet aan de bouwvoorschriften.”

Probleem 1

Er is blijkbaar spraakverwarring over de toepasselijkheid. In het memo van BZK gaat het nu enkel over een woning. Deze beperking is niet in het amendement gemaakt. Het amendement heeft betrekking op alle vergunningplichtige bouwwerken.

Probleem 2

Conform amendement toetst de gemeente het dossier. Je kunt immers niet tot de conclusie komen of de aannemer met het dossier aannemelijk heeft gemaakt dat aan de wettelijke eisen is voldaan zonder het te beoordelen, het te toetsen.

Het memo van BZK geeft daarentegen aan dat het niet de bedoeling is dat de gemeente oordeelt of een bouwwerk aan de bouwvoorschriften voldoet.

Hoe is het amendement te rijmen met deze nadere toelichting van de minister?

De minister heeft klaarblijkelijk een soort administratieve volledigheidscheck, iets wat de gemeente moet gaan doen, voor ogen. Dat is toch echt wat anders dan oordelen of door de aannemer aannemelijk is gemaakt, is aangetoond, dat het werk aan de voorschriften en de overeenkomst voldoet. Een dergelijke beoordeling, naast de beoordeling die de externe kwaliteitsborger al doet, roept vragen op.

Een bijkomend probleem is het meersporenbeleid. Er ontstaan meerdere dossiers op verschillende plekken die feitelijk over exact hetzelfde gaan. Dit is minder handig.

De samenhang ontbreekt. Bij nut en noodzaak maar ook de overlap van taken kunnen vraagtekens worden gezet. Ook bij de praktische uitvoerbaarheid kan een groot vraagteken.

Het zou dienstbaar zijn als we straks regels hebben zonder tegenstrijdigheden, regels die uitvoerbaar zijn en er ook toe doen.

Maar eens zien hoe dit in het vat wordt gegoten.

Lees het memo van BZK: reactie minister op amendementen en moties wetsvoorstel kwaliteitsborging.