Toezicht is slechts lapmiddel

De wetgever beoogt te regelen dat aannemers in de eerste plaats zelf kwaliteitsborging gaan organiseren. Dit verwacht de wetgever te bereiken met de de prikkel van aangescherpte aansprakelijkheid voor gebreken. Het zo willen regelen is een indirecte benadering. Het zegt niets over het hoe. Onduidelijk is vooralsnog of deze prikkel ook het beoogde effect op gaat leveren. Omdat de manier waarop onbenoemd blijft en de aannemers het zelf moeten gaan uitvinden is het per definitie subjectief en inefficiënt.

Lappen of het gericht, zo objectief en efficiënt mogelijk, regelen?

Het kan objectief en efficiënt – worden gemaakt – indien het aantoonbaar voldoen op eenduidige wijze met een taak voor aannemers wordt georganiseerd: de verplichting om aantoonbaar te maken dat aan de voorschriften is voldaan. Een dergelijke verplichting staat voor conformiteit (compliance). Het objectief en efficiënt organiseren kan met vooraf bepaalde controleaspecten: op die punten heb je te voldoen en moet bewijs worden geleverd. Toezicht beoordeelt vervolgens of hier aan wordt voldaan. Dit kan deels met systeemtoezicht, steekproeven en een aantal (vooraf bepaalde) te keuren onderdelen. Hierbij is het goed een mix van publiek en privaat toezicht te gebruiken omdat op veel werken al een vorm van bouwbegeleiding / toezicht – vooral gericht op nakoming contract – door opdrachtgevers wordt georganiseerd. Het gebruiken van de mix is tevens van belang in relatie tot capaciteit.

Met eenduidige controleaspecten, gebaseerd op een gedragen norm, wordt inefficiëntie van verschillende instrumenten voor kwaliteitsborging voorkomen. Het maakt het vakgebied helder waar ook opleidingen van profiteren.

De hoogst mogelijke vorm van efficiëntie kan worden bereikt met een centraal bouwdossier waar alle stakeholders op werken. Op die plaats kan het publiekrechtelijke deel worden gecombineerd met een door de wetgever gewenst consumentendossier. Niet ieder voor zich … maar gefaciliteerd.

Simpel gezegd … als je wil dat iets gebeurt moet je het gewoon duidelijk, met heldere taken, regelen. De geschetste benadering is redelijk revolutionair en 180 graden de andere kant op … maar toch … het kan maar gezegd zijn.

Voor eind april zal minister Ollongren aangeven of en hoe de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen verder wordt gebracht.

Hoe het ook uitpakt, partijen doende met kwaliteitsborging zullen meebewegen. Hierbij zijn de wettelijke kaders van belang en niet zozeer de vraag of dit nu de meest directe – objectieve – efficiënte benadering is. Ik kan zeggen “Het maakt mij niet uit …” maar dat doet het WEL. Met de inzet op het best haalbare heeft gericht, zo objectief en efficiënt mogelijk, uiteraard de voorkeur.

Omdat het aspect aanscherping aansprakelijkheid van belang is voor het beoogde effect, van de wet zoals nu bedacht, is het goed hier nog eens een bouwlampje op te zetten.

Diverse linkjes naar blogs en onderzoek vindt u onderstaand. Binnen deze reeks is het onderzoek naar klachten en geschillen, uitgevoerd door het instituut voor bouwrecht, een aanrader. Een pakkende samenvatting van dit onderzoek:

“Omdat de gewijzigde aansprakelijkheid maar in betrekkelijk weinig gevallen voor de opdrachtgever een verbetering zal opleveren vragen de onderzoekers zich af of het wel de moeite waard is om de wet te wijzigen. Voor aannemers is het effect, getalsmatig bekeken, beperkt. Dit is dan ook gelijk de meest belangrijke conclusie voor het inschatten van het effect. De onderzoekers wijzen er op dat we de cijfers niet moeten verabsoluteren mede gelet op het feit dat er ook andere redenen zijn om de wet te wijzigen.”

Het effect van de verzwaarde aansprakelijkheid voor gebreken

Aannemer moet aantonen dat aan de regelgeving is voldaan?

Wet verandert niets in verantwoordelijkheid bouwers

De hoop gevestigd op prikkel


PS

Het ‘revolutionaire idee’ is niet uit de lucht komen vallen. Dit is al vaker, in mootjes, aan de orde gesteld.

Occam’s razor

Wanneer er verschillende hypotheses zijn die een ‘verschijnsel’ in gelijke mate kunnen verklaren, dan moet de hypothese worden gekozen die de minste aannames bevat en de minste entiteiten veronderstelt.