Rondetafelgesprek Veiligheidsrisico’s Bouwprojecten (1)

Voor woensdag 12 december a.s. staat er een rondetafelgesprek gepland om inzicht te krijgen in de wijze waarop de veiligheidsrisico’s van bouwprojecten structureel beheerst kunnen worden.

Basis voor het gesprek is het OvV-rapport Eindhoven en de daarin opgenomen aanbevelingen. Het heeft uiteraard een relatie met de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen.

Deelnemers zijn vragen voorgelegd. Zie onderstaand mijn schriftelijke inbreng. Er valt uiteraard veel over te zeggen. De inbreng betreft enkel een beknopte beantwoording van de voorgelegde vragen.


Geachte leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken,

Hierbij ontvangt u een beknopte beantwoording van de door u voorgelegde vragen. Tevens is de effectiviteit van de OvV-aanbevelingen – n.a.v. het incident Eindhoven – nader beschouwd.

De aanbevelingen van de OvV zijn niet nieuw. Het betreft grotendeels een herhaling van zetten. Als je min of meer hetzelfde blijft doen, ook in het uitbrengen van aanbevelingen, is er geen reden aan te nemen dat hier een ander resultaat mee wordt behaald.

De OvV ziet een oplossingsrichting in verbetering van privaatrechtelijke aspecten. Dit wringt met de conclusies Eindhoven waarin nogmaals duidelijk is geworden dat contractuele afspraken over de borging van kwaliteit geen garanties bieden voor nakoming. In Eindhoven zijn dergelijke afspraken nagenoeg volledig terzijde geschoven.

De OvV is mild en voorzichtig in de formulering van aanbevelingen om tot iets te komen wat partijen ook echt gaat binden. Dit volgt uit bewoordingen met de strekking “maak het minder vrijblijvend” en “ga onderzoeken of het verplicht kan worden gesteld”.

Het rapport draagt de titel “Bouwen aan constructieve veiligheid”. De aanbevelingen richten zich echter niet specifiek op de vereisten om tot een werkwijze te komen waarmee de constructieve veiligheid voor de sector is geborgd. Er is gekozen voor het stimuleren van veiligheid in algemene zin en focus op een aantal specifieke stakeholders en disciplines.

Is het juist dat de bouwsector er onvoldoende in slaagt om het proces van ontwerp en uitvoering zo te organiseren dat constructieve veiligheidsrisico’s goed worden beheerst?

Dit is juist. Wat er inmiddels is georganiseerd heeft onvoldoende draagkracht, is onvoldoende verankerd. Voor de branche is het lastig om voor constructieve veiligheid tot een werkwijze te komen die, bij voorkeur, alle stakeholders bindt.

Is het ontbreken van een procesverantwoordelijke bepalend?

Een procesverantwoordelijke kan mogelijk beter sturing geven. Dit staat echter niet gelijk aan het op de juiste wijze organiseren van constructieve veiligheid. Iemand verantwoordelijk maken regelt niet dat er een werkwijze wordt gevolgd waarmee er het vertrouwen is dat de constructieve veiligheid is geborgd. Daar is een structuur met daadwerkelijke invulling voor nodig. Voor het functioneren van die structuur is een procesverantwoordelijke niet bepalend. Als voorbeeld kan de APK-plicht voor motorvoertuigen dienen. De APK functioneert als systeem omdat helder is wie wat op welk moment moet doen en waar je, op die momenten, aan hebt te voldoen. Toezicht en handhaving zijn verweven in die structuur.

Hoe kan er op eenduidige wijze door opdrachtgevers en opdrachtnemers worden gewerkt aan beter?

Het werken aan beter moet op organisatieniveau, binnen brancheorganisaties en voor de sector, worden gestimuleerd en gesteund. Tegelijkertijd moet worden onderkend dat deze benadering beperkingen heeft. Wordt de noodzaak en urgentie voor verbetering onderschreven dan kan niet worden afgewacht of en hoe er door de sector stappen worden gezet, dan moet er, voor de bouw in totaliteit, op korte termijn een maatregel worden genomen.

Hoe zit het met de voortgang in het ‘oppakken’ van aanbevelingen?

Diverse partijen laten hun goede wil zien. Vooralsnog is er, voor zover bekend, nog geen concrete verbetering gerealiseerd.

De aanbevelingen nader beschouwd in relatie tot beoogde werking

1. De Governance Code Veiligheid in de Bouw moet minder vrijblijvend. Deze code gaat met name over veiligheid tijdens het bouwen. Het betreft vooral de arbeidsveiligheid en omgevingsveiligheid. Deze code richt zich niet specifiek op het borgen van constructieve veiligheid, hoe je er voor zorgt dat een gebouw constructief voldoet. De code heeft geen relatie met toezicht en handhaving. Niet nakoming heeft geen consequenties. Ook indien de code minder vrijblijvend door meer partijen in de bouw wordt gehanteerd is vooralsnog geen waarborg constructieve veiligheid georganiseerd met voldoende garantie dat hier ook correct invulling aan wordt gegeven.

2. Aan de Vereniging Nederlandse Constructeurs heeft de OvV, naast een actieve rol in het communiceren over lessen, geadviseerd de mogelijkheden tot het opstellen van een gedragscode te verkennen. De OvV ziet kennelijk een noodzaak voor verbijzondering in gedragscodes afhankelijk van disciplines of de stapeling van codes in plaats van gezamenlijkheid en uniformiteit. Ook deze aanbeveling regelt geen waarborg constructieve veiligheid.

3. Aan het Opdrachtgeversforum in de bouw en Bouwend Nederland heeft de OvV als aanbeveling het zorgdragen voor heldere afspraken en een zorgvuldige demarcatie van taken en verantwoordelijkheden, bij voorkeur met een verplichtend karakter. Tevens is geadviseerd steun te verlenen bij het helder en coherent regelen van risicoverantwoordelijkheid en samenwerkingsverplichtingen in de algemene voorwaarden. Met deze aspecten wordt geen waarborg constructieve veiligheid georganiseerd die alle stakeholders bindt.

Relatie Wet kwaliteitsborging voor het bouwen

De rol van gemeenten verschuift met deze wet voor een belangrijk deel naar toetsing op dossier. Dit betreft een risicobeoordeling bij aanvraag vergunning en bij gereedmelding, gebaseerd op een dossier bevoegd gezag, een weging of een bouwwerk in gebruik mag worden genomen. De intensiteit van het bouw- en woningtoezicht moet volgen uit de risicobenadering en de wijze waarop het proces van kwaliteitsborging op orde is. Hierbij wordt voor een deel geleund op het werk van derden. Hoe gemeenten hierbij te werk gaan is niet omkaderd. Daar zijn meerdere mogelijkheden voor. Er kunnen tijdens de bouw informatiemomenten en stopmomenten worden opgelegd. Er kan specifieke verantwoordingsinformatie worden opgevraagd. Gemeenten kunnen acteren op basis van signalen van bijvoorbeeld de kwaliteitsborger of derden, maar kunnen ook zelf waarnemen, beoordelen en interveniëren. Deze mogelijkheden komen overeen met de huidige situatie, een situatie die niet voldoet. Er kan veel maar het mist een dwingende structuur waar gemeenten ook zelf aan zijn gehouden. Het ligt niet in de rede dat gemeenten zich bindende regels gaan opleggen. Hiermee is de werkwijze van toezicht en handhaving, ook met deze wet, nog steeds vrijblijvend en subjectief. Gemeenten gaan zelf bepalen hoe hier invulling aan wordt gegeven. Het mist samenhang. De Wet kwaliteitsborging regelt voorlopig geen verbetering voor de meer risicovolle bouwprojecten. Als de wet er komt zal dat voor dergelijke projecten zeker nog vele jaren duren. Worden meer risicovolle activiteiten wel onder het stelsel gebracht dan mogen we een verbetering verwachten. Resteert dat het deel private kwaliteitsborging alsdan nog steeds geen directe relatie met het werk van gemeenten heeft. Dit is minder wenselijk.

Een waarborg constructieve veiligheid realiseren

Het is een vereiste dat een waarborg stakeholders bindt. Het kan niet vrijblijvend zijn. Willekeur en subjectiviteit moeten, waar mogelijk, worden uitgesloten. Dit noodzaakt een structuur met een concrete werkwijze. Het moet duidelijk zijn wie wat wanneer op welke wijze doet en waar bouwconstructies aan moeten voldoen. Hierbij zijn toezicht en handhaving cruciaal en, bij voorkeur, onderdeel van de structuur.

Tijdens en na het rondetafelgesprek veiligheid betonvloeren van 31 mei jl. is een concrete aanpak nader gemotiveerd.

Ondergetekende is op 12 december aanstaande beschikbaar voor een bijdrage aan het rondetafelgesprek.

Hoogachtend,

Centraal Bureau Bouwbegeleiding B.V.

P.H.J. (Pieter) Plass MIM

algemeen directeur