Juridische verwikkelingen risicovloeren

Vanaf het moment dat voormalig minister Plasterk gemeenten heeft verzocht risicogebouwen met breedplaatvloeren te gaan onderzoeken zijn er de nodige maatregelen uitgevoerd en is er, met handhaving, opgetreden.

Gemeenten en gebouweigenaren hebben, op verzoek van BZK, in afwachting van nadere bindende regels, gehandeld. Niet iedereen is overtuigd van nut en noodzaak.

Er worden voorbereidingen getroffen om de rechtmatigheid aan de rechter voor te leggen en geleden schade te gaan verhalen.

Tot op heden is er in dit dossier nog geen sprake van een onderzoeksplicht gebaseerd op regelgeving met een bindende status.

Belangrijk bij onderzoek is het toetsen aan een voorschrift. Bij de breedplaatvloerenkwestie is onderzoek gebaseerd op het informatiedocument van 5 oktober 2017. Hiermee ‘moet’ worden getoetst of vloeren aan het veiligheidsniveau conform de NEN 8700 voldoen.

Het informatiedocument beschrijft een bepalingsmethode waarbij de schuifspanning van 0,4 N/mm2 in het aansluitvlak van vloerelementen als cruciaal wordt gezien: “Als de rekenwaarde van de schuifsterkte lager blijkt te zijn dan de grenswaarde van 0,40 N/mm2, dan moet de vloer mogelijk worden versterkt. … Is sprake van een hoog risico dan zal op basis van de kennis die op dit moment beschikbaar is, altijd een versterking noodzakelijk zijn.” Naast de grenswaarde van 0,40 N/mm2 zijn een aantal andere aspecten voor een beoordeling benoemd.

Bij een gevaar is artikel 1a van de Woningwet de grondslag voor handhaving. Voor het rekenkundig voldoen van vloeren is dit artikel 1b. Conform Bouwbesluit, dient volgens de omschreven bepalingsmethode, aan de grenswaarden te worden voldaan. In de toepasselijke norm is vooralsnog niets gewijzigd. De niet bindende grenswaarde (0,4 N/mm2 voor de schuifsterkte op het aansluitvlak) moet uitsluitsel bieden over het constructief voldoen aan het Bouwbesluit en een potentieel gevaar. Dit wringt.

Naar verwachting zijn eind april 2019 definitieve rekenregel beschikbaar. Alsdan is een eventuele herbeoordeling, waarschijnlijk in de vorm van een onderzoeksplicht, actueel. In die situatie is uiteraard relevant hoe een en ander in een voorschrift wordt verwerkt.

Dat je bij een potentieel gevaar moet handelen staat buiten kijf. Dit gebeurt uiteraard naar beste kunnen gebaseerd op de informatie op dat moment beschikbaar.

Een overstijgende vraag is of er sprake is van een reëel gevaar waarbij het handelen, ten nadele van de eigenaar en gebruikers, anders dan volledig vrijwillig, juridisch hout snijdt? In dit licht moet meewegen dat er de nodige tijd is verstreken tussen het moment waarop de minister onderzoek en maatregelen in gang heeft gezet en de wijze waarop voortschrijdend inzicht correct en tijdig is toegepast om schade te beperken.