Wob-verzoek instorting parkeergarage Eindhoven Airport

Gebaseerd op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) is informatie over het handelen van de overheid in deze kwestie – al weer enige tijd terug – door een betrokken partij opgevraagd. Het laat iets zien over de wijze waarop de afstemming indertijd is verlopen alsmede hoe onderzoek van risicovloeren is ingezet.


De gemeente Eindhoven heeft het initiatief genomen om met BZK en de OvV contact te leggen over de kwestie. De Wob-informatie maakt duidelijk dat de conclusies van TNO en Hageman, samengevat “Er is een systeemfout ontdekt”, hierbij leidend zijn geweest.

Dit blijk o.a. uit het antwoord op de vraag of de gemeente op hoogte had kunnen zijn van de foutieve constructie?

“Nee. Op moment van vergunningaanvragen was er geen enkele aanleiding om aan de toegepaste (bewezen) techniek extra eisen te stellen. Op het moment van vergunningverlening ging het om een bewezen techniek die al jarenlang in het hele land wordt toegepast. In het beginstadium van de bouw zijn over een soortgelijk detail aanvullende constructieve vragen gesteld aan de constructeur en in de beantwoording hiervan was voldoende aannemelijk gemaakt, dat voldaan zou kunnen worden aan de voorschriften.”

Een vervolgvraag heeft betrekking op de afschuifcapaciteit op het aansluitvlak van de breedplaten.

“Nu de gemeente op de hoogte is van de onderzoeksresultaten van TNO/Hageman, past u hier de handhaving / vergunningverlening op aan?

Ja. Bij de constructieve controle wordt nu conform de zienswijze in het TNO-rapport rekening gehouden met de benodigde afschuifcapaciteit van het aansluitvlak t.p.v. naderen tussen prefab vloerelementen en de in het werk gestorte beton. Hoewel dit aspect op de bouwplaats lastig te controleren is, zal het extra aandacht krijgen.”

De gemeente verklaart dat er, op basis van de rapporten van Hageman en TNO, is gehandeld zoals van een gemeente verwacht kan worden. Er is frequent toezicht uitgevoerd en uit de door de aannemer ingediende stukken is aannemelijk gemaakt dat er is gebouwd conform de geldende regels.

De vloer was ontworpen met een zeeg (of toog) om doorbuiging te beperken. Ruim voor de instorting was reeds bekend dat een deel van de vloer, in afwijking van het ontwerp, circa 20 cm was verzakt en doorgebogen. Op de signalering, naast scheurvorming ter plaatse van kolommen en andere afwijkingen, is geen actie ondernomen. De werkzaamheden zijn doorgegaan. Het ontwerp, waaronder de toog, is in het OvV-rapport beschreven.

Cruciaal is welke problemen met de uitvoeringskwaliteit op welk moment door wie zijn geconstateerd, geconstateerd hadden moeten worden én, of hier ook naar is gehandeld. Dat is niet zozeer relevant voor een schuldvraag, het is van belang voor het antwoord op de vraag “Hoe de deugdelijkheid van bouwconstructies wordt geborgd?”

Voor gemeente Eindhoven waren de rapporten van TNO en Hageman maatgevend om zelf nog eens naar vergunningverlening, toezicht en handhaving te kijken. Het was dus niet of de circa 20 cm doorbuiging, van een deel van de vloer, en overige problemen, je iets (hadden kunnen) vertellen en waar je wat mee had moeten doen. Het OvV-onderzoek, en dan zijn we een stuk verder in de tijd, heeft informatie opgeleverd over de constructie van het deel van het bouwwerk wat niet is ingestort. In het spiegelsymmetrische deel is de systeemfout niet ontdekt. In de risicogebouwen waar de vloeren met een proefbelasting zijn getest, is de fout ook nog niet ontdekt.

Met voortschrijdend inzicht moet er de bereidheid zijn nog eens kritisch naar eerdere conclusies te kijken.

Nu ben ik niet zo bekend met Wob-verzoeken maar … ik vraag me af wat er allemaal zwart is gemaakt en waarom?

Lees hier het Wob-rapportje.

Het mag duidelijk zijn, de uitvoering is voor een groot deel bepalend voor het voldoen van bouwconstructies.


Met Rob Plug van BubbleDeck in gesprek. De video start bij het deel “waarschuwen vloer”:

Pieter Plass