De hamvraag in de breedplaatvloerenkwestie: is er nog twijfel over de aanpak?

Voor BZK is het helder, we weten inmiddels hoe risicovloeren onderzocht en versterkt moeten worden, theoretisch verkregen rekenregels zijn prima om voldoende betrouwbaar te kunnen voorspellen … einde discussie.

Er mag geen twijfel bestaan

In de voortgangsbrief ‘bouwregelgeving en risicovloeren’ van 14 februari 2019 schrijft de minister het volgende:

“Wel ben ik van mening dat het proces om te komen tot het vaststellen van de definitieve rekenregels om bestaande gebouwen te kunnen beoordelen aan geen enkele twijfel onderhevig dient te zijn en hierover geen discussie moet zijn.”

Zonder validatie van rekenregels en nog steeds onduidelijkheid over hoe informatie met betrekking tot de instorting in onderzoek en conclusies is gewogen blijft er twijfel en zijn er redenen de discussie te voeren tot die twijfel is weggenomen.

Vragen over de juistheid van onderzoek en conclusies

In meerdere overlegsessies hebben Kamerleden aan deskundigen gevraagd en nog eens gevraagd:

“Heeft u echt alles wel onderzocht, weten we het zeker, heeft u alles meegenomen en gewogen, kunnen we vertrouwen op voldoende onafhankelijkheid en de uitkomst van onderzoek?”

Ook minister Ollongren is het meermaals voorgelegd. Bij de inzet om bouwkwaliteit te verbeteren is de problematiek Eindhoven vaker aangehaald. Dat is natuurlijk heel goed maar ook weer tikkeltje vreemd. Hebben we het enkel over een systeemfout dan heeft het niets met bouwen in de praktijk te maken. We weten beter.

Er ontbreekt tweederde

In het voegdetail ontbreekt tweederde aan sterkte en dit was, naar zeggen, al in 2003 door de Deense onderzoeker Tim Gudmand Høyer ontdekt.

De uitvinder van de vloer geeft aan dat de capaciteit van het voegdetail zoals door Høyer in 2003 ‘ontdekt’ 99,6% is ten opzichte van de capaciteit elders in de vloer. Deze vloeren worden al meer dan 20 jaar in nu zo’n 40 landen toegepast. Hierbij zijn configuraties zoals die van Eindhoven – poging 1 wel te verstaan – geen uitzondering. Zoals Van Gaal zou zeggen:

“Zijn wij in Nederland nu zo slim of is de rest van de wereld zo dom?”

Er ontbreekt tweederde versus slechts 0,4% matcht in ieder geval totaal niet.

Nieuwe feitelijk informatie

Op 4 november 2019 heeft BubbleDeck nieuwe feitelijke informatie bekend gemaakt, informatie van 13 dagen na de instorting. Het gaat over substantiële overbelasting van kolommen. Bij zo’n 6 kolommen was er sprake van 29% tot 72% overbelasting. Dat lijkt me zeer relevant. Ook geeft BubbleDeck aan dat BAM de technische oorzaak van de instorting, daags nadat de eerste lijstjes van te onderzoeken aspecten waren opgesteld, al in een volledig rapport had uitgewerkt. Het rapport bevat zelfs de exacte locatie van de instorting. Zonder te weten waarom en wanneer BAM precies met onderzoek is gestart mag duidelijk zijn dat je een dergelijke studie niet in een dag af hebt. De conclusie van BAM is voor bureau Hageman en TNO, de bureaus die onderzoek in opdracht van BAM en Eindhoven Airport hebben uitgevoerd, ongewijzigd gebleven. Hiermee was de technische oorzaak per saldo 12 dagen na de instorting al helder. Op de vraag “Of het rapport van BAM in vervolgonderzoek is meegenomen?” wisselen de verklaringen, dan weer wel, dan weer niet.

Het Terken-rapport

Herinnert u zich de commotie over onderzoek van Terken nog?

De heer Terken heeft, in opdracht van BAM, na de instorting, geologisch onderzoek uitgevoerd. Aanleiding was een vermoeden dat er een probleem met de fundering zou kunnen zijn. Er zijn door Terken diverse substantiële problemen vastgesteld. Het rapport is bijna 2 jaar buiten beeld gebleven … tot Terken zich bij BubbleDeck heeft gemeld. In mei 2019 is er bij BAM navraag gedaan. BAM heeft hierop aangegeven dat onderzoek kort na de instorting had uitgewezen dat er geen reden was om met vervolgonderzoek naar de fundering te kijken. Tja, toch is er een opdracht van BAM en heeft Terken problemen vastgesteld. De relatie met de instorting blijft een mysterie en met gekronkel in verklaringen krijgen we niet direct een warm gevoel.

Kamerleden hebben de funderingsproblematiek en het Terken-verrassingsrapport voormalig minister Ollongren in april 2019 voorgelegd. In de beantwoording zijn we met een kluitje het riet in gestuurd. De minister heeft in algemene zin verwezen naar de opbouw van grondlagen en hoe de gemeente het bouwplan voor aanvang van de werkzaamheden heeft beoordeeld en toezicht op de uitvoering heeft gehouden. Dit antwoord heeft echter niets met de vraag te maken. Het antwoord ziet op informatie bekend voor de instorting. De Terken-bevindingen gaan nu net over informatie die voor de instorting niet beschikbaar was. Of die bevindingen in onderzoeken zijn meegenomen is dan ook onbeantwoord gebleven. Er is volstaan met een verwijzing naar onderzoeksrapporten waar uit zou blijken dat er ‘geen aanwijzingen’ zijn (Hageman) en dat het ‘niet waarschijnlijk’ is (Onderzoeksraad) dat de fundering een rol bij de instorting heeft gespeeld. Gebaseerd op deze kwalificaties is door BZK aangegeven dat “De funderingsproblematiek niet zal worden beschouwd bij het bepalen van definitieve rekenregels.”

Knip

Een belangrijk aspect is de knip tussen de technische oorzaak en bouwfouten. Dit punt komt tijdens Kamervragen in de periode november 2017 over de ‘verloedering van de bouwwereld’ voorbij.

“Vraag 2

Hoe verhoudt de conclusie uit onderzoeken, uitgevoerd in opdracht van Eindhoven Airport en het bouwbedrijf BAM, dat de instorting van de parkeergarage bij Eindhoven Airport komt door een technische fout, zich tot de mening van prof. ir. Nijsse dat er juist geen sprake is van een constructiefout, maar van een uitvoeringsfout? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord op vraag 2

De onderzoeken die zijn uitgevoerd in opdracht van Eindhoven Airport en bouwbedrijf BAM hadden tot doel het achterhalen van de technische oorzaak van de instorting. De conclusie van de onderzoekers beperkt zich daarom tot de technische oorzaak van de instorting en heeft geen betrekking op de vraag of deze een gevolg is geweest van een ontwerpfout of een uitvoeringsfout. De mening van prof. ir. Nijsse dat sprake is geweest van een uitvoeringsfout, staat daarom naast de conclusie uit de onderzoeken.”

Lees antwoord op vraag 2 nog een keer en laat het op u inwerken. De knip, die door BZK is overgenomen, verklaart waarom de bouwfouten er niet toe doen.

De Onderzoeksraad voor Veiligheid

U weet dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid op 18 oktober 2018 heeft geconcludeerd dat de legrichting van plaatelementen bepalend is geweest voor de instorting.

De Raad heeft het als volgt samengevat:

“Door de keuze in het ontwerp om de vloerplaten een kwartslag te draaien, kwamen de naden tussen de platen te liggen op de plek waar de vloer het meeste doorbuigt. Hierdoor ontstond een kwetsbaar vloerontwerp en had extra aandacht besteed moeten worden aan het ontwerp van de plaatnaden tussen de vloerplaten. Dit gebeurde echter niet, waardoor de koppelwapening te kort werd uitgevoerd. De hoge temperatuur op 27 mei zorgde voor extra belasting van de vloer waardoor die instortte. Daarnaast blijkt dat betrokken partijen signalen, die wezen op een constructief veiligheidstekort, onvoldoende hebben opgevolgd. Het gaat onder meer om scheurvorming in de vloeren en waterplassen op de vloer.”

Het draaien van de vloerplaten met bijbehorende aandacht voor de koppelwapening, voor zover kon worden vastgesteld dat daar ook inderdaad het probleem zat, was een ontwerpkeuze. Hiermee hebben we het per definitie over een ontwerpfout waarbij de wijze van uitvoering een rol heeft gespeeld. Iets wat weinig aandacht heeft gehad is de test die op de vloer van het restgebouw is uitgevoerd. Deze test heeft uitgewezen dat die vloer minimaal 25% sterker was dan het bezwijkmoment van het deel dat is ingestort. De Raad weet het eigenlijk niet goed te verklaren. Enerzijds de conclusie ontwerpfout en een paar meter verderop een vloer, vergelijkbaar in detaillering, die prima voldeed … het matcht niet.

De technische oorzaak, een systeemfout in het voegdetail, is niet te verenigen met de ontwerp- en uitvoeringsfout zoals door Onderzoeksraad geconcludeerd.

Ontwerp en uitvoering doen er niet toe

Met het antwoord van Ollongren dat de conclusie van bureaus Hageman en TNO zich beperkt tot de technische oorzaak, zijn ontwerp- en uitvoeringsfouten uitgesloten. In andere woorden, ontwerp en uitvoering doen er niet toe.

Dit is op een iets andere manier bevestigd tijdens het rondetafelgesprek breedplaatvloeren in mei 2018. Kamerlid Ronnes, naar ik aanneem ook in de veronderstelling dat alle informatie correct en volledig moet worden gewogen, heeft er expliciet op doorgevraagd:

“Heeft u onderzoek gedaan naar de 18 aspecten in de uitvoeringsfase? Kan het zijn dat er nog aspecten zijn die nader onderzoek vergen?”

Het antwoord:

“Ik durf niet te zeggen dat alle 18 aspecten inhoudelijk zijn onderzocht, maar wij menen de oorzaak van de scheurvorming, die op de foto te zien is, gevonden te hebben en zijn van mening dat de conclusies van het onderzoek, de conclusies zullen blijven.”

Als onderzoeker weet je natuurlijk heel goed wat je wel en niet hebt onderzocht en gewogen. Naar mijn mening is met het antwoord aangegeven dat de conclusie vaststaat en bouwfouten irrelevant zijn. Dat wringt.

Vasthouden aan de gekozen lijn

12 dagen na de instorting had BAM het probleem met het voegdetail al helder. In november 2017, naar aanleiding van Kamervragen over de ‘verloedering van de bouwwereld’, hadden we moeten begrijpen dat het daar, wat BZK betreft, ook bij zou blijven. In die lijn past de beantwoording van vragen die onderzoekers en de minister tot op heden zijn voorgelegd met betrekking tot nieuwe aanvullende informatie. De Onderzoeksraad is er met een iets afwijkende lezing tussendoor gefietst. De minister heeft bureau Hageman nog wel even gevraagd om naar dat verschil te kijken. Samengevat is daar uitgekomen dat de conclusies voldoende overeenkomen. Hiermee is gesteggel over ontwerp en uitvoerig voorkomen.

Laboratoriumtesten

Het is goed even stil te staan bij vervolgonderzoek.

In het lab is met verschillende configuraties getest. Dit is gedaan om te traceren wat het effect van de verschillende soorten wapening, en plaatsing van wapening in de vloer, is. Dat zijn dan ook variabelen die we in het rekenen terugzien.

Op proefstukken is getest hoe een vloer met verschillende belastingen vervormt en uiteindelijk bezwijkt. Voor een representatief proefstuk, vervormt de vloer lineair tot een belasting van circa 4 ton en bezwijkt de vloer bij 10 ton. Bij 4 ton belasting is de vervorming minder dan een millimeter. Bij 10 ton is dat circa 14 mm. Deze vervorming is niet een op een te relateren aan een proefbelasting van een vloer in de praktijk. In de praktijk werkt een vloer immers in samenhang. Bij een reepje van 80 cm in het lab heb je dat natuurlijk niet.

Met de rekenregels wordt ter plaatse van het kritische vloerdetail, de aansluiting van de prefabvloerplaten, de momentweerstand en dwarskrachtweerstand bepaald. In begrijpelijk Nederlands, reken uit of de vloer op die plek sterk genoeg is. Hoe sterk de vloer moet zijn is uiteraard afhankelijk van het gebruik. In een kantoor hebben we het over andere waarden dan bijvoorbeeld een restaurant. In draagkracht heb je het over waarden tussen de 175 tot 1.000 kg m2. In de meeste gevallen zit dat op circa 200 tot 250 kg m2.

De feitelijkheid van uitgevoerd experimenteel onderzoek staat niet ter discussie. Hoe die bevindingen zijn vertaald naar een rekenmethode naar mijn mening wel. Dan hebben we het over het vertalen van de bezwijklast gemeten met proeven naar momentcapaciteit voor het rekenen in de praktijk. Dat moet je interpreteren en is best lastig. Bij proeven weet je wat het doet voor jouw proefstuk, dat stukje met een beperkte maat. Vervolgens is het zaak de slag naar het rekenen aan een vloerveld te maken. Daar is validatie voor nodig.

Hernieuwd doorrekenen gebaseerd op de definitieve rekenregels

Diverse vloeren, eerder getest met proefbelastingen, zijn nogmaals, gebaseerd op de nieuwe rekenregels, onder de loep genomen.

De uitkomsten zijn opmerkelijk. Gebaseerd op informatie van proefbelastingen, zijn vloeren die prima of heel goed voldoen, nu rekenkundig toch een probleem. Dit is niet te verenigen. Met meerdere doorrekeningen en vergelijkbare uitkomsten is de mismatch bevestigd. De mismatch is niet toe te schrijven aan een mogelijk incidenteel betere uitvoering. Daar zijn de verschillen te groot voor plus de constatering is ‘standaard’.

Daadwerkelijke metingen zijn bepalend en overrulen (feitelijk) de rekenkundige benadering. Het zijn immers vloerspecifieke validaties. Dit geeft nog geen uitsluitsel over het vloersysteem in zijn algemeenheid. Met meerdere bevestigingen echter voor een deel wel.

Dit punt is in de hele discussie wellicht het meest belangrijke. We hebben vloeren die aantoonbaar voldoen en rekenkundig totaal niet. Dat moet je verklaren. Rekenen moet voldoende aansluiten op de praktijk en ja, daar heb je validatie voor nodig.

Geloof versus zeker weten

Als we niet zouden weten dat de vloer van de parkeergarage door het te vroeg verwijderen van de onderstempeling al stuk was, de koppelwapening simpelweg zijn werk niet meer heeft kunnen doen, er een lange periode extreme scheuren zichtbaar waren, de vloer 20 cm was doorgebogen, dan zou je wat makkelijker kunnen ‘geloven’ dat er in Eindhoven een systeemfout is ontdekt.

Als het om constructieve veiligheid en bouwkwaliteit gaat kun je echter niet volstaan met geloof. We moeten het zeker weten.

Omdat vloeren in de praktijk moeten voldoen zit daar dan ook de oplossing. Test in de praktijk of hetgeen rekenkundig is bepaald ook juist is. Alleen zo haal je alle twijfel weg. Dat weten we, dat snappen we maar … dat gaan we niet doen. “Theoretisch verkregen rekenregels zijn prima om voldoende betrouwbaar te kunnen voorspellen …” aldus BZK.

De afwijzing van validatie roept alleen maar meer vragen op. Waar ben je bang voor? Als je het bij het juiste eind hebt wil toch juist die bevestiging? Dat is toch ook noodzakelijk?

Er mag geen twijfel blijven bestaan

Ik ben van mening dat er een maatschappelijk belang is de kwestie helder te krijgen en iedere twijfel weg te nemen. De discussie zal stoppen met validatie.

De hamvraag

Dan toch de hamvraag: is er bij u geen enkele twijfel over de juistheid van rekenregels voor het beoordelen van risicovloeren?

Er mag geen twijfel bestaan

In de voortgangsbrief ‘bouwregelgeving en risicovloeren’ van 14 februari 2019 schrijft de minister het volgende:

“Wel ben ik van mening dat het proces om te komen tot het vaststellen van de definitieve rekenregels om bestaande gebouwen te kunnen beoordelen aan geen enkele twijfel onderhevig dient te zijn en hierover geen discussie moet zijn.”

Zonder validatie van rekenregels en nog steeds onduidelijkheid over hoe informatie met betrekking tot de instorting in onderzoek en conclusies is gewogen blijft er twijfel en zijn er redenen de discussie te voeren tot die twijfel is weggenomen.

Vragen over de juistheid van onderzoek en conclusies

In meerdere overlegsessies hebben Kamerleden aan deskundigen gevraagd en nog eens gevraagd:

“Heeft u echt alles wel onderzocht, weten we het zeker, heeft u alles meegenomen en gewogen, kunnen we vertrouwen op voldoende onafhankelijkheid en de uitkomst van onderzoek?”

Ook minister Ollongren is het meermaals voorgelegd. Bij de inzet om bouwkwaliteit te verbeteren is de problematiek Eindhoven vaker aangehaald. Dat is natuurlijk heel goed maar ook weer tikkeltje vreemd. Hebben we het enkel over een systeemfout dan heeft het niets met bouwen in de praktijk te maken. We weten beter.

Er ontbreekt tweederde

In het voegdetail ontbreekt tweederde aan sterkte en dit was, naar zeggen, al in 2003 door de Deense onderzoeker Tim Gudmand Høyer ontdekt.

De uitvinder van de vloer geeft aan dat de capaciteit van het voegdetail zoals door Høyer in 2003 ‘ontdekt’ 99,6% is ten opzichte van de capaciteit elders in de vloer. Deze vloeren worden al meer dan 20 jaar in nu zo’n 40 landen toegepast. Hierbij zijn configuraties zoals die van Eindhoven – poging 1 wel te verstaan – geen uitzondering. Zoals Van Gaal zou zeggen:

“Zijn wij in Nederland nu zo slim of is de rest van de wereld zo dom?”

Er ontbreekt tweederde versus slechts 0,4% matcht in ieder geval totaal niet.

Nieuwe feitelijk informatie

Op 4 november 2019 heeft BubbleDeck nieuwe feitelijke informatie bekend gemaakt, informatie van 13 dagen na de instorting. Het gaat over substantiële overbelasting van kolommen. Bij zo’n 6 kolommen was er sprake van 29% tot 72% overbelasting. Dat lijkt me zeer relevant. Ook geeft BubbleDeck aan dat BAM de technische oorzaak van de instorting, daags nadat de eerste lijstjes van te onderzoeken aspecten waren opgesteld, al in een volledig rapport had uitgewerkt. Het rapport bevat zelfs de exacte locatie van de instorting. Zonder te weten waarom en wanneer BAM precies met onderzoek is gestart mag duidelijk zijn dat je een dergelijke studie niet in een dag af hebt. De conclusie van BAM is voor bureau Hageman en TNO, de bureaus die onderzoek in opdracht van BAM en Eindhoven Airport hebben uitgevoerd, ongewijzigd gebleven. Hiermee was de technische oorzaak per saldo 12 dagen na de instorting al helder. Op de vraag “Of het rapport van BAM in vervolgonderzoek is meegenomen?” wisselen de verklaringen, dan weer wel, dan weer niet.

Het Terken-rapport

Herinnert u zich de commotie over onderzoek van Terken nog?

De heer Terken heeft, in opdracht van BAM, na de instorting, geologisch onderzoek uitgevoerd. Aanleiding was een vermoeden dat er een probleem met de fundering zou kunnen zijn. Er zijn door Terken diverse substantiële problemen vastgesteld. Het rapport is bijna 2 jaar buiten beeld gebleven … tot Terken zich bij BubbleDeck heeft gemeld. In mei 2019 is er bij BAM navraag gedaan. BAM heeft hierop aangegeven dat onderzoek kort na de instorting had uitgewezen dat er geen reden was om met vervolgonderzoek naar de fundering te kijken. Tja, toch is er een opdracht van BAM en heeft Terken problemen vastgesteld. De relatie met de instorting blijft een mysterie en met gekronkel in verklaringen krijgen we niet direct een warm gevoel.

Kamerleden hebben de funderingsproblematiek en het Terken-verrassingsrapport voormalig minister Ollongren in april 2019 voorgelegd. In de beantwoording zijn we met een kluitje het riet in gestuurd. De minister heeft in algemene zin verwezen naar de opbouw van grondlagen en hoe de gemeente het bouwplan voor aanvang van de werkzaamheden heeft beoordeeld en toezicht op de uitvoering heeft gehouden. Dit antwoord heeft echter niets met de vraag te maken. Het antwoord ziet op informatie bekend voor de instorting. De Terken-bevindingen gaan nu net over informatie die voor de instorting niet beschikbaar was. Of die bevindingen in onderzoeken zijn meegenomen is dan ook onbeantwoord gebleven. Er is volstaan met een verwijzing naar onderzoeksrapporten waar uit zou blijken dat er ‘geen aanwijzingen’ zijn (Hageman) en dat het ‘niet waarschijnlijk’ is (Onderzoeksraad) dat de fundering een rol bij de instorting heeft gespeeld. Gebaseerd op deze kwalificaties is door BZK aangegeven dat “De funderingsproblematiek niet zal worden beschouwd bij het bepalen van definitieve rekenregels.”

Knip

Een belangrijk aspect is de knip tussen de technische oorzaak en bouwfouten. Dit punt komt tijdens Kamervragen in de periode november 2017 over de ‘verloedering van de bouwwereld’ voorbij.

“Vraag 2

Hoe verhoudt de conclusie uit onderzoeken, uitgevoerd in opdracht van Eindhoven Airport en het bouwbedrijf BAM, dat de instorting van de parkeergarage bij Eindhoven Airport komt door een technische fout, zich tot de mening van prof. ir. Nijsse dat er juist geen sprake is van een constructiefout, maar van een uitvoeringsfout? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord op vraag 2

De onderzoeken die zijn uitgevoerd in opdracht van Eindhoven Airport en bouwbedrijf BAM hadden tot doel het achterhalen van de technische oorzaak van de instorting. De conclusie van de onderzoekers beperkt zich daarom tot de technische oorzaak van de instorting en heeft geen betrekking op de vraag of deze een gevolg is geweest van een ontwerpfout of een uitvoeringsfout. De mening van prof. ir. Nijsse dat sprake is geweest van een uitvoeringsfout, staat daarom naast de conclusie uit de onderzoeken.”

Lees antwoord op vraag 2 nog een keer en laat het op u inwerken. De knip, die door BZK is overgenomen, verklaart waarom de bouwfouten er niet toe doen.

De Onderzoeksraad voor Veiligheid

U weet dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid op 18 oktober 2018 heeft geconcludeerd dat de legrichting van plaatelementen bepalend is geweest voor de instorting.

De Raad heeft het als volgt samengevat:

“Door de keuze in het ontwerp om de vloerplaten een kwartslag te draaien, kwamen de naden tussen de platen te liggen op de plek waar de vloer het meeste doorbuigt. Hierdoor ontstond een kwetsbaar vloerontwerp en had extra aandacht besteed moeten worden aan het ontwerp van de plaatnaden tussen de vloerplaten. Dit gebeurde echter niet, waardoor de koppelwapening te kort werd uitgevoerd. De hoge temperatuur op 27 mei zorgde voor extra belasting van de vloer waardoor die instortte. Daarnaast blijkt dat betrokken partijen signalen, die wezen op een constructief veiligheidstekort, onvoldoende hebben opgevolgd. Het gaat onder meer om scheurvorming in de vloeren en waterplassen op de vloer.”

Het draaien van de vloerplaten met bijbehorende aandacht voor de koppelwapening, voor zover kon worden vastgesteld dat daar ook inderdaad het probleem zat, was een ontwerpkeuze. Hiermee hebben we het per definitie over een ontwerpfout waarbij de wijze van uitvoering een rol heeft gespeeld. Iets wat weinig aandacht heeft gehad is de test die op de vloer van het restgebouw is uitgevoerd. Deze test heeft uitgewezen dat die vloer minimaal 25% sterker was dan het bezwijkmoment van het deel dat is ingestort. De Raad weet het eigenlijk niet goed te verklaren. Enerzijds de conclusie ontwerpfout en een paar meter verderop een vloer, vergelijkbaar in detaillering, die prima voldeed … het matcht niet.

De technische oorzaak, een systeemfout in het voegdetail, is niet te verenigen met de ontwerp- en uitvoeringsfout zoals door Onderzoeksraad geconcludeerd.

Ontwerp en uitvoering doen er niet toe

Met het antwoord van Ollongren dat de conclusie van bureaus Hageman en TNO zich beperkt tot de technische oorzaak, zijn ontwerp- en uitvoeringsfouten uitgesloten. In andere woorden, ontwerp en uitvoering doen er niet toe.

Dit is op een iets andere manier bevestigd tijdens het rondetafelgesprek breedplaatvloeren in mei 2018. Kamerlid Ronnes, naar ik aanneem ook in de veronderstelling dat alle informatie correct en volledig moet worden gewogen, heeft er expliciet op doorgevraagd:

“Heeft u onderzoek gedaan naar de 18 aspecten in de uitvoeringsfase? Kan het zijn dat er nog aspecten zijn die nader onderzoek vergen?”

Het antwoord:

“Ik durf niet te zeggen dat alle 18 aspecten inhoudelijk zijn onderzocht, maar wij menen de oorzaak van de scheurvorming, die op de foto te zien is, gevonden te hebben en zijn van mening dat de conclusies van het onderzoek, de conclusies zullen blijven.”

Als onderzoeker weet je natuurlijk heel goed wat je wel en niet hebt onderzocht en gewogen. Naar mijn mening is met het antwoord aangegeven dat de conclusie vaststaat en bouwfouten irrelevant zijn. Dat wringt.

Vasthouden aan de gekozen lijn

12 dagen na de instorting had BAM het probleem met het voegdetail al helder. In november 2017, naar aanleiding van Kamervragen over de ‘verloedering van de bouwwereld’, hadden we moeten begrijpen dat het daar, wat BZK betreft, ook bij zou blijven. In die lijn past de beantwoording van vragen die onderzoekers en de minister tot op heden zijn voorgelegd met betrekking tot nieuwe aanvullende informatie. De Onderzoeksraad is er met een iets afwijkende lezing tussendoor gefietst. De minister heeft bureau Hageman nog wel even gevraagd om naar dat verschil te kijken. Samengevat is daar uitgekomen dat de conclusies voldoende overeenkomen. Hiermee is gesteggel over ontwerp en uitvoerig voorkomen.

Laboratoriumtesten

Het is goed even stil te staan bij vervolgonderzoek.

In het lab is met verschillende configuraties getest. Dit is gedaan om te traceren wat het effect van de verschillende soorten wapening, en plaatsing van wapening in de vloer, is. Dat zijn dan ook variabelen die we in het rekenen terugzien.

Op proefstukken is getest hoe een vloer met verschillende belastingen vervormt en uiteindelijk bezwijkt. Voor een representatief proefstuk, vervormt de vloer lineair tot een belasting van circa 4 ton en bezwijkt de vloer bij 10 ton. Bij 4 ton belasting is de vervorming minder dan een millimeter. Bij 10 ton is dat circa 14 mm. Deze vervorming is niet een op een te relateren aan een proefbelasting van een vloer in de praktijk. In de praktijk werkt een vloer immers in samenhang. Bij een reepje van 80 cm in het lab heb je dat natuurlijk niet.

Met de rekenregels wordt ter plaatse van het kritische vloerdetail, de aansluiting van de prefabvloerplaten, de momentweerstand en dwarskrachtweerstand bepaald. In goed Nederlands, reken uit of de vloer op die plek sterk genoeg is. Hoe sterk de vloer moet zijn is uiteraard afhankelijk van het gebruik. In een kantoor hebben we het over andere waarden dan bijvoorbeeld een restaurant. In draagkracht heb je het over waarden tussen de 175 tot 1.000 kg m2. In de meeste gevallen zit dat op circa 200 tot 250 kg m2.

De feitelijkheid van uitgevoerd experimenteel onderzoek staat niet ter discussie. Hoe die bevindingen zijn vertaald naar een rekenmethode naar mijn mening wel. Dan hebben we het over het vertalen van de bezwijklast gemeten met proeven naar momentcapaciteit voor het rekenen in de praktijk. Dat moet je interpreteren en is best lastig. Bij proeven weet je wat het doet voor jouw proefstuk, dat stukje met een beperkte maat. Vervolgens is het zaak de slag naar het rekenen aan een vloerveld te maken. Daar is validatie voor nodig.

Geloof versus zeker weten

Als we niet zouden weten dat de vloer van de parkeergarage door het te vroeg verwijderen van de onderstempeling al stuk was, de koppelwapening simpelweg zijn werk niet meer heeft kunnen doen, er een lange periode extreme scheuren zichtbaar waren, de vloer 20 cm was doorgebogen, dan zou je wat makkelijker kunnen ‘geloven’ dat er in Eindhoven een systeemfout is ontdekt.

Als het om constructieve veiligheid en bouwkwaliteit gaat kun je echter niet volstaan met geloof. We moeten het zeker weten.

Omdat vloeren in de praktijk moeten voldoen zit daar dan ook de oplossing. Test in de praktijk of hetgeen rekenkundig is bepaald ook juist is. Alleen zo haal je alle twijfel weg. Dat weten we, dat snappen we maar … dat gaan we niet doen. “Theoretisch verkregen rekenregels zijn prima om voldoende betrouwbaar te kunnen voorspellen …” aldus BZK.

De afwijzing van validatie roept alleen maar meer vragen op. Waar ben je bang voor? Als je het bij het juiste eind hebt wil toch juist die bevestiging? Dat is toch ook noodzakelijk?

Er mag geen twijfel blijven bestaan

Ik ben van mening dat er een maatschappelijk belang is de kwestie helder te krijgen en iedere twijfel weg te nemen. De discussie zal stoppen met validatie.

De hamvraag

Dan toch de hamvraag: is er bij u geen enkele twijfel over de juistheid van rekenregels voor het beoordelen van risicovloeren?