Aansprakelijkstelling in de breedplaatvloerenkwestie

Onderzoekers in deze kwestie zijn het er over eens dat er met deze vloeren als systeem iets over het hoofd is gezien en dat ‘Het over het hoofd zien’ toch heel wat anders is dan een fout maken. Deze kwalificatie en het veralgemeniseren maakt het extra lastig voor een gebouweigenaar om kosten voor onderzoek en te nemen maatregelen ‘ergens’ neer te leggen.

Een wrang voorbeeld is Windesheim, gebouw X. In De Stentor lezen we het gedoe hierover. Aannemer Trebbe betaalt niet zomaar voor de maatregelen die bijna 5 miljoen euro hebben gekost. “Het is een complex proces en complexe materie, waarmee we zorgvuldig omgaan. Dat kost tijd, maar in vergelijking met twee jaar geleden is die tijd er nu ook”, aldus de woordvoerster. Bij gebouw X spelen er een aantal extra bijzondere factoren. De noodzaak voor het versterken is niet op voorhand onomstotelijk vastgesteld. Bovendien was de vloer voorzien van VZA waar, voor zover mij bekend, niet mee is gerekend in de nadere beoordeling. Nu ankers zijn aangebracht kan er geen nulmeting meer worden verricht en is het ‘bewijs’ dat er een probleem met de vloer was verloren gegaan.

De kwaliteit van het bouwwerk zoals het er staat

Voor de beoordeling van de constructieve veiligheid is de NEN 8700 van toepassing. Conform deze NEN mag men uitgaan van de kwaliteit van het bouwwerk zoals het er staat. Dit is een verschil met het ontwerpen waarbij er met extra marges wordt gerekend.

De aangekondigde onderzoeksplicht heeft niet tot doel hogere eisen te stellen. Er moet ‘enkel’ voldoende garantie zijn dat de vloeren constructief voldoen.

De toe te passen rekenregels stellen nadere eisen die niet in de huidige normen voorkomen. Deze rekenregels zijn niet gevalideerd. Dit betekent dat vooralsnog niet feitelijk is vastgesteld of de rekenkundige benadering aansluit bij de werkelijkheid, bij wat je kunt meten in de praktijk. Hiermee is onduidelijk of de nadere eisen per saldo zwaardere eisen zijn en het niveau waar, volgens de normen aan moet worden voldaan, overstijgt.

Volgt uit het opnieuw doorrekenen dat er een probleem met de vloeren is dan moeten maatregelen volgen. Eenmaal in die fase komt uiteraard ook de afweging van een aansprakelijkstelling, van de bouwer of een andere partij, om kosten te gaan verhalen.

Eigenaar moet probleem aantoonbaar maken

Buiten dat aansprakelijkheid standaard van de hand wordt gewezen laat passage twee van de antwoordbrief zich al schrijven: “Wij beroepen ons op de eisen ten tijde van ontwerp en het bouwen. Vooralsnog is niet aangetoond dat de vloeren hier niet aan voldoen.”

Het is, onder de huidige wetgeving, aan de eigenaar aantoonbaar te maken dat niet aan de voorschriften is voldaan en het partijen kan worden aangerekend. Het bewijs leveren dat er bij het ontwerp en de bouw iets verwijtbaar mis is gegaan zal niet meevallen. We hebben immers met een systeemfout te maken die door ‘iedereen’ over het hoofd is gezien.

Ondanks dat advocaten u als gebouweigenaar zullen voorhouden dat er een kans is dat kosten verhaald kunnen worden vrees ik met grote vreze dat enkel de advocaten hier beter van gaan worden. Jurisprudentie ontbreekt vooralsnog.

Voor gebouweigenaren is er een belang collectief aan te dringen op validatie van de rekenregels nog voor de onderzoeksplicht is ingesteld. Gaat u voortvarend met het stappenplan aan de slag dan heeft u minder in handen om de kosten te kunnen verhalen. U plaatst uzelf in een vergelijkbare positie als Windesheim: maatregelen worden getroffen nog voor vaststaat dat het ook echt nodig is en uw ‘bewijs’ gaat met het versterken, indien nodig uiteraard, verloren.

Gebouwen moeten veilig zijn. Maatregelen om dit te organiseren en garanderen moeten ons die zekerheid bieden. Zolang rekenregels voor de beoordeling van bestaande gebouwen met breedplaatvloeren niet gevalideerd zijn is en blijft er alle reden te twijfelen over de aanpak.