Theorie versus realiteit in de breedplaatvloerenproblematiek


In het vakblad Cement lezen we het artikel ‘De breedplaatvloerenproblematiek uitgelicht‘. Vijf professoren en een oud-hoogleraar verbinden hun naam aan het stuk.

De highlights:

De instorting Eindhoven heeft een probleem met dit vloersysteem aan het licht gebracht: de koppeling van de plaatelementen. Hoe sterk de koppeling precies moet zijn is met experimenteel onderzoek bepaald. Om risicovloeren te kunnen beoordelen is er, gebaseerd op deze bevindingen, een stappenplan opgesteld. Naast de theoretisch rekenkundige benadering kan ook met een proefbelasting worden vastgesteld of een vloer voldoet.

De deskundigen onderkennen dat het rekenen aan vloeren niet overeenkomt met wat in de praktijk wordt gemeten. Een vloer heeft additionele sterkte en zal gemiddeld genomen beter zijn dan rekenkundig bepaald.

In het artikel wordt tevens uitgelegd dat aan individuele proefbelastingen, ‘zonder diepgaande analyse’, geen algemeen geldende conclusies kunnen worden verbonden.


Topdeskundigen eensgezind

Maar zelden zie je een artikel waarin zoveel topdeskundigen eensgezind een kwestie uitleggen. Dit toch wel unieke aspect wordt voor de lezers uit de doeken gedaan:

“Mede naar aanleiding van berichten in de media hebben onderstaande personen gemeend er goed aan te doen om met dit artikel hun visie op de problematiek te geven. Het kan wellicht ook gebruikt worden om minder-ingewijden inzicht te geven in de achtergronden bij deze problematiek.”

Uit deze toelichting kunnen we concluderen dat het stuk primair is geschreven om twijfel, als gevolg van berichtgeving in media, weg te nemen.

De theoretische uitleg lijkt glashelder. De onderzoeksplicht is afgekondigd en daar is de kous mee af. Ga nu op deze manier met je onderzoek aan de slag.

Het gat tussen theorie en praktijk

Naast de theorie hebben we ook de praktijk en al hetgeen feitelijk vaststaat over zowel de instorting Eindhoven alsmede het voldoen van dit vloersysteem. De relevantie van die feiten neemt niet af met een lijst prominente namen onder een artikel.

Om te beginnen …

De professoren en oud-hoogleraar hebben een eigen invulling aan de ontwerpsterkte van de vloer Eindhoven gegeven. De betreffende vloer is volgens BubbleDeck in werkelijkheid op 289 kNm/m berekend in plaats van de in het artikel aangegeven 200 kNm/m.

Met betrekking tot Eindhoven is vooral relevant dat we ondeugdelijk en deugdelijk in hetzelfde bouwwerk hadden. Met 24.000 m² van het bouwwerk, was helemaal niets mis. Bij het bezweken deel, 200 m² die 700 m² in de val heeft meegenomen, hebben engineerings- en uitvoeringsproblemen een belangrijke rol gespeeld. Door gebrekkige controle en het onvoldoende acteren op signalen heeft de instorting kunnen plaatsvinden. Deze feiten staan naast de conclusie dat de kwestie Eindhoven een systeemfout aan het licht heeft gebracht.

Wereldwijd is er voor en na Eindhoven nog geen systeemfout in de miljoenen vierkante meters breedplaatvloeren ontdekt. Het is dus enkel een Nederlandse aangelegenheid.

De systeemfout is met experimenteel laboratoriumonderzoek tot een rekenmethode gebracht. Het rekenen correspondeert echter niet met wat er in praktijk wordt gemeten. Er is een substantieel verschil tussen het theoretisch rekenkundig voldoen en wat feitelijk in de praktijk wordt gemeten. Dat verschil is dusdanig groot dat je hier onderzoek naar moet doen. Het is geen bijzaak en je kunt het niet wegwuiven … zou je zeggen. Echter, alle pogingen om dat verschil te betrekken op de juistheid van rekenkundige uitgangspunten worden categorisch afgewezen. De wetenschap is naar mijn mening benauwd voor validatie van rekenregels. Dat gaan we niet doen!

Waarom niet valideren?

Kort na de instorting is een specifieke onderzoekslijn gekozen, daar zijn conclusies aan verbonden en is het beleid van BZK op gebaseerd. Diverse gebouweigenaren hebben hier indertijd snel op geacteerd. Er zijn maatregelen genomen en al substantiële kosten gemaakt. Indien de noodzaak van deze maatregelen ter discussie zou komen te staan heb je wat uit te leggen. Er is inmiddels een groot afbreukrisico. Hiermee is het begrijpelijk dat men het niet langer over de rekenkundige uitgangspunten wil hebben.

Voor BubbleDeck is er geen afbreukrisico meer. Van het bedrijf is helaas nagenoeg niets meer over.

Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het peloton wijze mannen nu is ingezet om twijfel, tegengeluid, tegenspraak, het nader wegen van feiten, of wat dan ook, te stoppen. Ook ik ben helemaal voor het stoppen van de discussie maar dan wel als we zeker weten dat de huidige aanpak juist is! Het wordt niet juist door er namen van professoren en hoogleraren op te plakken. Meten is weten. Theorie moet je valideren.

Dagvaarding

Op 29 mei jl. is BAM door BubbleDeck gedagvaard. In de dagvaarding stelt BubbleDeck dat BAM jegens BubbleDeck onrechtmatig heeft gehandeld. De schade die BubbleDeck dientengevolge heeft geleden en lijdt wordt op BAM verhaald.

In deze zaak zal BubbleDeck ongetwijfeld voor een groot deel op de uitvoeringsproblematiek focussen, feiten en omstandigheden die voor de instorting bepalend zijn geweest. Dit aspect is onlosmakelijk met de conclusie van onderzoek verbonden, de uitkomst van onderzoek in opdracht van BAM, waarbij de oorzaak van de instorting buiten de bouwer is gelegd. De onderzoeksplicht is immers indirect een gevolg van hetgeen bureau Hageman in eerste instantie in opdracht van BAM heeft geconcludeerd. BZK heeft hier op doorgeborduurd.

Nu een rechter zich over de kwestie gaat buigen kunnen alle relevante feiten worden ingebracht voor nadere, naar we mogen aannemen, onafhankelijke en zorgvuldige weging.

Voor BubbleDeck gaat de zaak volgens mij niet enkel over de claim. Het gaat mede over de werkelijke toedracht Eindhoven en hoe, als gevolg van de gekozen onderzoekslijn en conclusies, gebouweigenaren nu met kostbare versterkingsmaatregelen worden geconfronteerd.

Ga proefbelasten

Met betrekking tot de uit te voeren onderzoeksplicht moeten gebouweigenaren een keuze maken als een risicovloer rekenkundig niet voldoet. Ik acht het verstandig alsdan bij voorkeur eerst een proefbelasting uit te voeren en niet direct ‘maar’ te gaan versterken. Dit is enerzijds omdat enkel met een proefbelasting feitelijk kan worden aangetoond of een vloer veilig is. Gebaseerd op wat we hebben geleerd van reeds uitgevoerde proefbelastingen plus de theorie van aanwezige extra capaciteit in een vloer is de kans dat een vloer met een dergelijke test niet gaat voldoen uitermate klein. Een proefbelasting wordt veilig en gecontroleerd uitgevoerd. Het risico is dan ook minimaal. Een ander belangrijk aspect is dat deze benadering u als gebouweigenaar in een positie brengt om t.z.t. mogelijk kosten te kunnen verhalen als blijkt dat de rekenkundige uitgangspunten onjuist zijn. Zonder feitelijke meetgegevens is het een stuk lastiger hard te maken dat de inmiddels versterkte vloer eigenlijk prima was.

Wordt vervolgd … 


Lees de nieuwsbrief van Expertisecentrum Regelgeving Bouw over vereist nader onderzoek.


Aanvulling 18 juni 2020 | mede naar aanleiding van commentaar

In de discussie over de breedplaatvloeren blijft onbeantwoord hoe de theorie op de praktijk aansluit.

Proefbelasten nader beschouwd

Bij een proefbelasting wordt de vloer tot vier keer de variabele belasting getest. Is een vloer op een variabele belasting van 250 kg m² berekend dan betekent dit nog niet dat de vloer continu aan die belasting wordt blootgesteld. In werkelijkheid zit dat uiteraard tussen de 0 en 250 kg m². Wordt deze vloer proefbelast dan moet hij zonder problemen het viervoudige aankunnen, 1.000 kg m². De maximale doorbuiging bij die belasting wordt op voorhand berekend. De test wordt stap voor stap uitgevoerd. De werkelijke doorbuiging wordt vergeleken met de berekende grenswaarde. Als de vloer bij het geleidelijk opvoeren van de belasting meer doorbuigt zal de test worden afgebroken. Het verschil tussen berekende doorbuiging, wat mag, en wat werkelijk wordt gemeten, zegt iets over de extra capaciteit. Is die doorbuiging nog niet een kwart of een tiende van de berekende grenswaarde dan is de vloer stukken sterker dan nodig. Dit is wat de praktijk laat zien.

Met vier keer de variabele belasting testen is al best indrukwekkend. Als je dit ziet snap je direct dat het niets met normale gebruikssituaties te maken heeft. Het is de norm en maar goed dat die voorziet in een ruime veiligheidsmarge! Hoe indrukwekkend deze test ook is, het komt nog lang niet in de buurt van de belasting die een vloer doet bezwijken.

Van laboratoriumtesten naar de praktijk

Rekenwaarden zijn gebaseerd op laboratoriumproeven, het testen van stukjes vloer in een testopstelling. Proefstukken zijn aan een bezwijktest onderworpen. Er is gekeken wat proefstukken aankunnen. Wat daar is gemeten staat niet ter discussie. Het is feitelijk. Het mag echter duidelijk zijn dat er een verschil is tussen een proefstuk op een testbank en een vloer in de praktijk. Dat heeft met veel factoren te maken. Een belangrijke is bijvoorbeeld de schaal. Om het met een voorbeeld duidelijk te maken: zou je je niet achter de oren krabben als onderzoekers hadden aangegeven dat proefstukken ter grootte van een stoeptegel zijn gebruikt en met extrapolatie en rekenkundige vernuft de uitkomsten zijn omgerekend naar een vloerveld in samenhang? Ik denk dat u moord en brand zou schreeuwen. Zo extreem is het met laboratoriumtesten niet gegaan maar we hebben het wel over stukjes vloer. De proefstukken waren 3,8 m bij 0,8 m om precies te zijn. Voor een beeld van wat je dan meet zoom ik in op een representatief proefstuk. Tot een belasting van circa 4.000 kg was sprake van minder dan 1 millimeter vervorming en bij zo’n 10.000 kg bezwijken.

De uitkomsten van laboratoriumtesten kun je niet een op een aan de praktijk relateren. Een vloer in een gebouw werkt immers in samenhang. Bij een reepje van 80 cm in het lab heb je dat niet.

Van proefstuk naar praktijk vereist een vertaalslag.

Nadere analyse vereist

Deskundigen onderkennen dat eventuele extra sterkte in vloeren vooralsnog moeilijk te kwantificeren is. Ook geven de deskundigen aan dat je op basis van resultaten van individuele proefbelastingen moet oppassen met het trekken van algemeen geldende conclusies voor de breedplaatvloeren. Daar is volgens de deskundigen nadere diepgaande analyse voor nodig. Ik kan dit onderschrijven. Het is precies wat moet gebeuren … maar dat gebeurt niet.

Juist de mismatch tussen theorie en praktijk pleit voor nadere analyse.

Als je keer op keer vaststelt dat vloeren die rekenkundig niet voldoen prima zijn en er juist sprake is van substantiële extra capaciteit heb je het over waardevolle informatie die je moet betrekken op de rekenkundige uitgangspunten.

Vals negatief

In deze discussie is mij eerder voorgehouden dat een theoretisch rekenmodel maatgevend moet zijn en je, even als voorbeeld, ook niet ieder glas water moet gaan testen. Ik ben het hier helemaal mee eens. Dat moet niet voor een glas water en ook niet voor iedere breedplaatvloer. Maar helaas, gebouweigenaren worden nu wel gedwongen hun vloeren te gaan testen.

De theorie is tot een absolute waarheid verheven.

Kort gezegd: de theorie deugt en wat je in de praktijk meet staat op zichzelf.

Ik ga even terug naar het voorbeeld van het glas water. Meet je keer op keer dat ieder glas water niet aan de norm voldoet, blijf je dan volhouden dat je hier geen conclusies aan kunt verbinden?

Bij de breedplaatvloeren hebben we het over feitelijke informatie waaruit blijkt dat de vloeren, in afwijking van de theorie, juist wél voldoen.